(G)een parlement als een ander

DOOR STEVEN VAN HECKE. Onbekend maakt onbemind. Dat geldt bij uitstek voor het Europees Parlement. Ook in het deel van Vlaanderen en België dat zich tot het pro-Europese kamp rekent, is het doorgaans ontstellend slecht gesteld met de kennis over onze Europese parlementsleden. Want door elke vijf jaar de Europese verkiezingen te laten samenvallen met de regionale verkiezingen en op 25 mei ook de federale stembusslag te organiseren, bewijzen we onze vertegenwoordigers in Brussel en Straatsburg maar vooral onszelf geen dienst. 

Geschreven door Steven Van Hecke docent Europese en vergelijkende politiek.
© KU Leuven - Rob Stevens

© KU Leuven – Rob Stevens

Een gemiste kans dus om het Europees Parlement de aandacht te schenken die het verdient. En de voorbije legislatuur aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Daarom zijn de terugkerende discussies over de bevoegdheden van het Europees Parlement een beetje vermoeiend. Dient dat “reizend circus” tot iets en is dat wel een “écht” parlement, zo hoort men de echo van het euroscepticisme. Het rode pluche, de groene banken of de glazen koepel van onze “eigen” parlementen zijn ons toch zo vertrouwd. Althans, zo denken we.

Maar wat is hier eigenlijk het probleem? Grosso modo doet het Europees Parlement alles wat een nationaal of regionaal parlement doet: wetten maken, de regering controleren en een begroting goedkeuren. Het enige wat de Europarlementsleden niet kunnen, is de Europese regering naar huis sturen. En de Europese Commissie kan het Parlement evenmin vroegtijdig ontbinden. Ze bestaan dus relatief autonoom van elkaar. De stemming over de nieuwe voorzitter van de Commissie en nadien zijn ganse ploeg is de uitzondering die de regel bevestigt. Dat de één niet afhankelijk is van de ander is trouwens een goede zaak. Zo vermijden we op Europees vlak alvast één probleem dat we op nationaal vlak niet opgelost krijgen: dat uiteindelijk het parlement het onderspit delft en dus ondergeschikt wordt aan de regering. Vraag maar aan de volksvertegenwoordigers van de meerderheid: ze kunnen nauwelijks iets doen wat ingaat tegen de regering. Vraag maar aan de parlementsleden van de oppositie: ze kunnen nauwelijks iets teweeg brengen wat de regering in gevaar brengt.

Toegegeven: het Europees Parlement werkt enigszins op een andere manier dan we van een nationaal parlement gewoon zijn, het hanteert verschillende talen en koestert andere tradities. Maar op één punt is het écht verschillend van alle andere parlementen. Het past namelijk het niet-discontinuïteitsprincipe toe. Pardon, het niet-disconituïteitsprincipe? Is dat geen dubbele ontkenning? Jawel, en het betekent dus dat het Parlement niet kiest voor discontinuïteit. Versta: het kiest voor continuïteit. In alle andere parlementen wordt na de verkiezingen het bord afgeveegd. Alle wetten die het finale stadium van de parlementaire goedkeuring niet hebben gehaald, gaan de vuilnisbak in. Het nieuwverkozen parlement begint altijd met een wit blad. Dat verklaart waarom regeringen en parlementsleden voor de verkiezingen zo gehaast zijn nog één en ander door de wetgevingsmachine te willen loodsen. Zoniet zijn alle inspanningen tevergeefs geweest en dient men na de verkiezingen alle procedures van vooraf aan opnieuw te beginnen.

Niet zo in het Europees Parlement. Technisch gesproken worden de werkzaamheden enkele maanden opgeschort, van pakweg midden april tot begin juli. Na de onderbreking als gevolg van de verkiezingen neemt het Parlement gewoon de draad weer op. Zo kan een parlementslid dat op een bepaald dossier heeft gewerkt en in mei herkozen is, zijn of haar werk gewoon verderzetten. En als dat betreffende Europarlementslid niet herkozen is, gaat men op zoek naar een vervanger. Zo eenvoudig is dat. Volgens sommigen is zo’n werkwijze fundamenteel ondemocratisch omdat het geen rekening houdt met de verkiezingen en minstens de indruk wekt dat het oordeel van de kiezer er niet echt toedoet. Onder meer Bondskanselier Merkel heeft zich tijdens het Duitse EU-voorzitterschap van 2007 kritisch uitgelaten over het niet-discontinuïteitsprincipe. Eerder kwam het ter sprake tijdens de Conventie die een nieuwe Europese Grondwet op papier zette maar sindsdien is het relatief stil gebleven, ook bij diegenen die de macht van het Europees Parlement willen inperken. Voorstanders van de handhaving van het principe wijzen – terecht – op een democratisch probleem dat veel groter is.

De Raad van Ministers, de vergadering waarin de vertegenwoordigers van de lidstaten volgens vakgebied zetelen (maar niet te verwarren met de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders), past de discontinuïteit evenmin toe. Meer nog, de Raad die functioneert als tweede kamer in het Europees wetgevingsproces, kent niet eens verkiezingen. Er is zijn alleen personeelswissels wanneer in één van de lidstaten verkiezingen georganiseerd worden en er nieuwe regering aan de macht komt of wanneer een nieuwe minister aan tafel schuift. Versta: de Raad van Ministers schort haar werkzaamheden nooit op, vergadert altijd verder en blijft dus “tot in de eeuwigheid” bestaan. Een beetje vreemd toch, voor een instelling die samen met het Europees Parlement wetgeving maakt voor een gans continent? Met andere woorden: waarom zou het Europees Parlement vrijwillig afstand doen van het niet-discontinuïteitsprincipe?

© European Union 2011 PE-EP

© European Union 2011 PE-EP


Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s