Begaafde jongeren, moeilijke gevallen?

DOOR JEROEN LAVRIJSEN EN KARINE VERSCHUEREN. In de media wordt hoogbegaafdheid geregeld op een stereotype, negatieve manier voorgesteld. Films zoals Good Will Hunting of A Beautiful Mind portretteren hoogbegaafden als personen die in de knoop liggen met zichzelf en niet in staat zijn te functioneren in een wereld die hen niet begrijpt. Volgens Duits onderzoek brengen mensen hoogbegaafdheid vaak in verband met emotionele moeilijkheden en onbevredigende sociale relaties (Baudson, 2016). Nieuw Vlaams onderzoek toont echter aan dat deze perceptie niet klopt.

Deze blog werd geschreven in het kader van Project TALENT, een interuniversitair project van de KU Leuven, de Universiteit Gent en de Universiteit Antwerpen. De studie werd gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Professor Karine Verschueren van de KU Leuven leidt het project.
Jeroen Lavrijsen en Karine Verschueren

De internationale wetenschappelijk literatuur leverde al weinig bewijs voor het negatieve beeld over hoogbegaafde jongeren. Een internationale review van achttien studies concludeerde dat ze niet vatbaarder zijn voor psychische problemen en vaak juist minder gedrags- en emotionele problemen vertonen (Francis et al, 2016).

Tot nog toe ontbraken systematische gegevens over het psychisch functioneren van cognitief begaafde jongeren in Vlaanderen. Met de TALENT-studie, een grootschalig onderzoek bij 3.400 jongeren in 27 Vlaamse scholen, beschikken we nu voor het eerst over representatief onderzoek naar de ontwikkeling van bovengemiddeld begaafde jongeren.

De TALENT-studie werd opgestart in het schooljaar 2017-2018 en onderzoekt jongeren die dat schooljaar aan het eerste jaar secundair onderwijs begonnen (A-stroom). Deze jongeren worden doorheen de eerste graad van het secundair onderwijs gevolgd. Op vier meetmomenten worden hun prestaties en psychosociaal en motivationeel functioneren in kaart gebracht. Deze blog bespreekt de bevindingen van het eerste meetmoment (oktober-november 2017).

In oktober 2017 werd bij alle jongeren uit de A-stroom in de deelnemende scholen een intelligentietest afgenomen. Jongeren waarvan de testscore bij de hoogste 10% behoort, noemen we “begaafd”. Dit komt overeen met een IQ-score van 120 of meer. Jongeren met een IQ van 130 of meer (hoogste 2.5%) worden in ons onderzoek aangeduid als “hoogbegaafd”. De referentiegroep bestaat uit jongeren met een IQ tussen 80 en 120 (de middelste 80%). Naast deze test vroegen we de ouders van de jongeren of bij hun kind ooit de diagnose hoogbegaafdheid was gesteld.

Om te weten te komen in welke mate de jongeren probleemgedrag vertonen, vulden ze de Strengths & Difficulties Questionnaire in. Deze meting maakt een onderscheid tussen externaliserend en internaliserend probleemgedrag. Dit heeft te maken met de manier waarop de jongere omgaat met stress en emoties. Bij externaliserend probleemgedrag heeft de jongere weinig emotionele controle en worden deze naar buiten gericht en op de omgeving uitgewerkt, wat tot conflicten leidt (bijvoorbeeld door agressie). Tot deze soort probleemgedrag horen twee subtypes: gedragsproblemen en hyperactiviteit. Bij internaliserend probleemgedrag worden de emoties net naar binnen gericht, wat zorgt voor innerlijke onrust (bijvoorbeeld angst). Ook hier zijn er twee subtypes: emotionele problemen en problemen in de relaties met leeftijdsgenoten.

Begaafde jongeren rapporteren niet meer probleemgedrag dan normaal begaafde jongeren, maar jongeren die ooit als hoogbegaafd werden gediagnosticeerd, vertonen vaak wél meer probleemgedrag.

De onderstaande figuren tonen de gemiddelde scores van de jongeren voor de vier subtypes van probleemgedrag. Elke figuur bestaat uit twee delen. De linkerkant vergelijkt de gemiddelde antwoorden voor de drie groepen jongeren. De rechterkant vergelijkt de gemiddelde antwoorden van jongeren zonder en met een eerdere, formele diagnose van hoogbegaafdheid. Significante verschillen zijn aangeduid met één of meerdere sterretjes. In elke figuur wordt gecorrigeerd voor geslacht en het opleidingsniveau van de ouders.

 

Een eerste belangrijke vaststelling is dat begaafde jongeren niet meer probleemgedrag rapporteren dan normaal begaafde jongeren. Wat externaliserend probleemgedrag betreft, rapporteren begaafde jongeren zelfs lagere niveaus dan gemiddeld. Ook internaliserend probleemgedrag komt bij hen niet méér voor dan bij andere jongeren. Deze bevinding spreekt de mythe dat begaafde jongeren meer emotionele of gedragsproblemen zouden ondervinden dus resoluut tegen. Uiteraard gaat het hier om gemiddeldes: sommige begaafde jongeren zullen dit probleemgedrag wel vertonen en hiervoor hulp nodig hebben, maar dat komt niet vaker voor dan bij andere jongeren.

De tweede belangrijke vaststelling is dat jongeren die ooit als hoogbegaafd werden gediagnosticeerd, vaak wél meer probleemgedrag vertonen. Jongeren met deze diagnose blijken dus volstrekt niet representatief voor de groep begaafde jongeren in het algemeen. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de diagnose aanleiding geeft tot problemen, bijvoorbeeld omdat het begaafdheidslabel negatief gepercipieerd wordt door de omgeving. Een alternatieve verklaring zou een selectie-effect kunnen zijn. In Vlaanderen wordt hoogbegaafdheid vaak gediagnosticeerd na een hulpvraag. Dit kan ervoor zorgen dat jongeren die al probleemgedrag vertonen oververtegenwoordigd zijn. Hoewel onze gegevens geen uitsluitsel geven over deze verklaringen, is de vaststelling dat gediagnosticeerde jongeren niet representatief zijn voor begaafde jongeren belangrijk. Heel wat van de gangbare kennis over begaafde jongeren is immers gebaseerd op basis van dergelijke gediagnosticeerde jongeren. Deze kennis kan dus blijkbaar niet worden veralgemeend tot kennis over begaafdheid in het algemeen. Enkel systematisch onderzoek, waarbij bij representatieve groepen jongeren de intelligentie wordt gemeten, kan deze kennis leveren.

Tot slot: de vaststelling dat begaafde jongeren niet vatbaarder zijn voor probleemgedrag, wil uiteraard niet zeggen dat er zich op andere vlakken geen problemen kunnen stellen. Zo bleek eerder al uit onze onderzoeksgegevens dat met name hoogbegaafde jongeren niet altijd aan hun trekken komen op school, waarbij ze door een gebrek aan uitdaging soms hun motivatie verliezen. Het blijft dan ook belangrijk om deze jongeren op school een aanbod te geven dat hen voldoende stimuleert.

Lees de volledige analyse.


Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s